allerlei geschreven tekst

 
 
 
 
 
 

Het eerste hoofdstuk over een roman die de kleine man als slachtoffer van zinloos geweld en intimidatie tot onderwerp heeft. Het hele boek kan bij de auteur worden verkregen.


I



Het bruuske remmen en de desastreuze gevolgen voor de inzittenden bevestigen zijn gevoel van onbehagen: de dag is zwanger van dreiging en legt een mantel van onrust om zijn schouders.

Het was vanmorgen al fout gelopen: met een schok schoot hij wakker met het besef dat er iets niet klopte. Automatisch tastte hij naar zijn polshorloge op het nachtkastje en constateerde dat het al over halfzeven was. Hij grabbelde naar de wekker en zag zijn vermoeden bevestigd: een  mechanische hartstilstand om zeven over vier! Net vandaag als alles op wieltjes moest lopen. Hij begreep er niets van: sinds anderhalf jaar was hem dit niet meer overkomen. Nadat hij zich enkele malen kort na mekaar had verslapen, had Lucien hem 'een wreed trucske' in zijn oor gefluisterd: ga naar de Casa en koop zo'n ultra-luidruchtige wekker, had hij gezegd, zo'n knalgele met twee metalen bolschijven op zijn kop, en zet die in een soepbord vol knikkers, daar wordt zelfs de Leeuw van Waterloo wakker van, en zo had hij de norse blikken en de humeurige uitvallen van zijn makkers kunnen vermijden, want later vertrekken betekent overwerken of de breaks inkorten en ge kunt u best indenken dat niemand daarmee gediend is.

Vloekend gooide hij de wekker in de teil en sprong als een opgejaagde kater uit bed.

"Niet goed geslapen, Flup?" vroeg Philomène met een zeurderige stem.

"Té goed geslapen, zult ge bedoelen", antwoordde hij bars. "Dat stuk wekker stond stil en ik heb nog juist dertien minuten om me gereed te maken en het eind naar het station te lopen. Ze vermoorden me als ik weer te laat kom, zeker nu we op tijd willen stoppen voor het criterium."

Philomène mompelde iets als 'Gij met uw koers' en draaide zich op haar linkerzij, haar achterste naar hem toe.

" 't Kan u niet schelen natuurlijk, gij hebt geen gevoel voor passie. Ge weet niet wat dat is: leven voor iets."

Toch zorgt Philomène 's avonds trouw voor een vers gestreken overhemd, een geperste broek en vier dubbele boterhammen met beleg: ze weet dat hij na het aflopen van de wekker een poos doorslaapt, en van de laatste minuten rust profiteert vooraleer op te staan. Het zijn precies die ogenblikken tussen halfslaap en ontwaken die het hem doen, beweerde hij. Het humeur van de dag hangt af van wat ge op dat moment beslist: meteen uit de veren met een zware kop en dikke ogen betekent norsheid en onweer, het geleidelijke ontwaken verzekert helderheid van geest en opgeruimdheid. Hij had het geformuleerd in een bui van filosofische bevlogenheid. Vreemd hoe mensen soms boven zichzelf uitstijgen.

"Bij mij is dat niet waar", zei Philomène. "Mijn humeur hangt af van het feit of ik goed of slecht heb geslapen, da's al. En de rest is quatsch. Zich geleerd voordoen en niet geleerd zijn."

"Het is voor iedereen verschillend", verdedigde hij zich. "Ik spreek alleen voor mezelf en dan nog draait het soms anders uit."

"Eigenlijk wilt ge zeggen dat ge zomaar uit uw nek zit te kletsen, zeker..."

Hij griste de kleerhanger mee met het blauwgestreepte overhemd met korte mouwen en de zwarte jeans, vlug vlug, een kattenwas en een blitzbezoek aan de w.c., natuurlijk geen schijtpapier, en hij slofte met zijn broek op zijn pantoffels naar de badkamer, ah, daar was zijn gerief, en terug, een supersnelle afdaling van de trap in regelrechte Riis--stijl, snelde naar de keuken, waar hij boterhammentrommel en drinkbus ophaalde, een spurtje naar de hal, en dan, gevangen tussen het Ikea-schoenkastje en de fiets van Philomène, trachtte hij, stuntelig, met één hand, zijn schoenen aan te trekken. Hij bond zijn tas op het bagagerek van de fiets, riep over zijn schouder "Ik neem voor één keer uw fiets" en wilde de voordeur opendoen, maar deze bleek nog gesloten, hij had het kunnen weten, en de sleutel was in geen wegen te bekennen. Geïrriteerd gooide hij de fiets tegen de muur zodat er stukken kalk op de grond sneeuwden en rommelde tussen de sierbloemen, een hoop oude kranten, een gebarsten asbak vol knopen, en naaigerei dat om god weet welke reden op het schoenkastje was verzeild geraakt, opende het kastje, tastte in schoenen, pantoffels, laarzen en gyms tot hij in een van Philomènes gevlochten sandalen op de onderste plank tenslotte de sleutel vond.

Met trillende hand opende hij de deur en duwde de fiets naar buiten, trok de deur na zich dicht, slingerde uit gewoonte zijn rechterbeen over het zadel, en wipte van de stoeprand. Hij  keek op zijn horloge: nog zes minuten en twintig seconden om de circa twee en een halve kilometer naar het Stationsplein te overbruggen.

Hij reed voorovergebogen om meer kracht op de trappers te kunnen zetten, de Vondelstraat uit, zwiepte op het fietspad langs de Prins Jan-lei en maakte flink tempo. Op het nippertje kon hij een keffer ontwijken die door een oudere heer met kromme benen wat te veel vrijheid werd gegund. Dat had je met voetpaden die in fietspaden overlopen en het was niet het verschil in kleur dat de voetganger zou weerhouden om het fietspad te betreden.

Na een kleine kilometer trappen aan uurrecordsnelheid moest hij stoppen voor de verkeerslichten van de Rozenlaan. Hij stak de Prins Jan-lei over op het zebrapad, fietste een eindje tegenstroom en draaide links af langs het Eisenhowerplein.

Hij koos voor de weg doorheen de Klipper, de volksbuurt even buiten het centrum, een netwerk van smalle straatjes en stegen. Als je goed thuis was in deze doolhof, scheelde het minuten tegenover de rit langs deVinkenlaan, en time was money, zoals ze zegden, in dit geval maakten de gewonnen minuten het verschil uit tussen opgewekte en bedrukte gezichten.

Zonder op te kijken en zijn aandacht toespitsend op uit stekende kasseien stormde hij vooruit. Hobbelend, botsend, bochten nemend aan hoge snelheid, zijn handen krampachtig op het stuur, een verbeten trek op zijn gezicht. Hij had geen oog voor de schilderachtige werkmanshuisjes van het Eerste Kwartier en de statige herenhuizen van het Tweede Kwartier die hoog oprezen en de drukte van het Stationsplein aankondigden. Als het warm was zaten deze straatjes vol pratende, duttende en van de zon genietende mensen. Het was de enige buurt waar dat nog kon.

Rond de bouwvallige uitkijktoren op het Memlincplein had men dranghekken geplaatst, hetzelfde als aan de noordzijde van de Sint-Martinuskerk: ze dienden om voorbijgangers voor vallende stenen te behoeden. Hij vertraagde, nam voorzichtig een van de verkeersdrempels, en trok zich weer op snelheid. Hij hoorde het geraas van motoren op het Stationsplein en schakelde naar een hogere versnelling. Zijn kleren begonnen aan zijn lijf te plakken en hij voelde de stramheid in zijn benen slaan. Het was niet het moment om te blokkeren, niet zo kort voor het doel. Nog de Troonstraat door, een bocht naar rechts, dan weer naar links en het einde van de race was in zicht; daar was het Stationsplein, een eindeloze vlakte als je uit de beslotenheid van de Klipper kwam, met in het midden, vlak achter de bushaltes, het monument ter ere van de gesneuvelden van de twee wereldoorlogen. Hij was verplicht rond het plein te rijden met het verkeer mee, zijn ogen wijd open en op zijn qui-vive om gehaaste bestuurders die uit een van de vijf straten te voorschijn kwamen, te kunnen ontwijken.

Hij laveerde naar best vermogen tussen de auto's en stuurde naar de kant van het station. Hij keek op naar de klok boven de ingang: drie minuten over  tijd. Toch een recordtijd over twee en een halve kilometer in de stad. Laat ze hem dat maar nadoen. Hij rende naar de fietsenstalling, plaatste zijn vehikel in de rekken, klooide nog wat met het cijferslot, maakte zijn schoudertas los, borg de snelbinder erin op en haastte zich naar de blauwe bestelwagen die op de parkeerplaats voor taxi's stond. De motor draaide ongeduldig en Lucien, die voor de schuifdeur stond, wees veelbetekenend naar de klok:

"Ik dacht dat ge u een goede wekker had gekocht?"

Hij haalde zijn schouders op, stapte in en plofte naast Gilbert, die zijn ogen half opende en meteen weer sloot. Laat hem maar maffen, de mafkop.

Hij mompelde een goedendag naar de anderen en blies de spanning van zich af. Op het nippertje gehaald.

"En avant la musique", beval Lucien, terwijl hij zich naast de chauffeur installeerde. "We zijn compleet."

Bernard stond op en trok de schuifdeur naast zich in het slot.

" 't Is niet omdat ge u hebt moeten afkeffen dat ge de deur niet moet sluiten, hè, Flup."

Hij knikte en wiste zich het zweet van het voorhoofd.

"Ja, ja, jong. 'k Was effe van de plank."

"Geen fysiek meer, hè, Jeanke", gnuifde Lucien vanop de voorbank.

Hij schokschouderde.

"Meer pinten dan wat anders", lachte Bernard.

"Doe het na als ge 't kunt", stoof hij op, "maar jullie vossen liever tot een stuk in de nacht dan wat beweging te nemen. Kijk hoe ik recupereer. En ik ben tenminste wakker, hetgeen niet van iedereen kan gezegd worden…"

Hij kreeg geen tegenwind. Het was te vroeg in de morgen en buiten Lucien en Bernard was er niet veel leven in de wagen. Staf, Rik en Gilbert sliepen zo gauw ze de bank onder hun gat voelden en de anderen hadden geen zin om zo vroeg te gaan bekvechten.

Hij concentreerde zich op het nieuws van zeven uur, omdat hij de krant niet had kunnen halen. Een mens moet weten wat er omgaat in de wereld, vond hij. Er zou zo eens een oorlog uitbreken en ge weet van toeten noch blazen…

Gewoonlijk las hij de titels van de artikels en hier en daar de vetgedrukte tekst als hij iets meer wilde weten, want met de titels alleen zijt ge niks; en ze kunnen u een verkeerde indruk geven. Als er al eens gediscussieerd werd over dit of dat, zoals over de nieuwe agressiviteit van Israël, de protestantse marsen in Derry of de kans op leven op Mars, dan kon hij zijn woordje meebabbelen. Het kwam zelfs voor dat men hem om uitleg kwam vragen over iets dat gebeurd was en waarover  men het fijne wilde weten. Dan was hij fier dat hij kon helpen. De meeste bouwvakkers kunnen alleen over hun werk klappen of over de koers, maar vraag hun niet waar Mombay ligt of wat GAIA is, want dan kijken ze u aan of ze het in Keulen horen donderen. En dan zijn ze blij dat ze iemand kennen aan wie ze het kunnen vragen.

Goed, zijn kennis was ook oppervlakkig en hij praatte ook liever over de Tour dan over de keizer van Japan, maar ge moest toch zien dat ge geen ooglappen aanhad, zo bleeft ge een beetje mens.

"Zet eens wat harder, Henry", riep hij naar de chauffeur.

" 'k Versta er niks van."

"En we moeten stiller spreken ook, zeker?" lachte Henry.

Er was niet veel nieuws in de zomermaanden en ook op sportief vlak was men snel uitgepraat: de Belgische Voetbalbond had in de herfst een speciale vergadering gepland om de afgang van de voetbalsport in België te bespreken en Herman de Coninck had het criterium van Melle gewonnen.

" 't Was weer te peinzen", zei Lucien. "Ge ziet die gast niet in de Tour: ofwel  klaagt hij over een zweer op zijn achterste, ofwel heeft hij last van een verkoudheid, en zo gauw er een molshoop opduikt verzeilt hij in de achtergrond, omdat de psychische spanning te groot is. Tarara… En een tijdje later wint hij het criterium van Melle…"

"Ge moet wat geluk hebben om te presteren in de Tour", meende Staf, die wakker geschoten was toen hij de naam van De Coninck hoorde vallen. Staf was een De Coninck-fan: hij hield een map bij met knipsels over zijn idool en was met hem gefotografeerd voor de start van de kermiskoers van Zwevezele.

"Juist dan in vorm zijn en als het op klimmen aankomt, je krachten kunnen doseren, dat is de kunst. Alleen zat hij niet goed dit jaar, dat is algemeen geweten."

"Allee, allee, Staf", zei Bernard. "Hij zit niet gauw goed en ge moet een beetje serieus zijn: geluk, dat forceert ge. Denkt gij dat de Denen elke morgen voor het vertrek van een rit op hun blote knieën een pakje geluk afsmeken? Die gasten hoort ge niet klagen over pijn aan hun maag of een verstuikte teen of de spanning die te groot is. Die rijden hun koers zoals beroepsrenners dat moeten doen. Het is een kwestie van karakter en dat hebben ze bij ons niet."

"De Coninck, dat is toch geen coureur", deed hij er een schepje bovenop. "Het is niet verantwoord hoe de Vlaamse gazetten ieder jaar een jonge gast de hemel inschrijven. Ze hebben nog geen tien meter bij de profs gereden of ze zijn al de nieuwe Belgische hoop of een toekomstige winnaar van de Tour de France. Ze worden zo hard over het paard getild dat die gasten het nog zelf geloven ook en zo maakt ge alleen dikkenekken en mannen die denken dat het vanzelf gaat. Indertijd waren De Wolf en Willems de kraks, wat hebben die gepresteerd buiten een toevallige overwinning in een superdag? Dan gingen Van de Laer en Roosen stukken maken, ge zoudt eens wat zien! Dan kwam Van Hooydonk, een gast gesneden uit het goede oude Flandrienhout. Intussen heeft hij ook zijn fiets aan de wilgen gehangen, omdat hij niet mee kon. Precies of ge zijt dé grote kampioen omdat ge per jaar één koers wint. We kunnen het gewoon niet verkroppen dat we geen coureurs van betekenis meer hebben, zo zit dat."

"Kom, kom, zo slecht gaat het ook weer niet", suste Bernard. "Het is niet omdat we niks presteren in de Tour dat we geen renners van betekenis meer hebben. De Belgen winnen elk jaar toch hun koersen en we hebben toch zo nu en dan een wereldkampioen…"

"Die dan zijn winterslaap doet, zeker", grapte Lucien.

"Ge hebt gelijk, Bernard", zei Staf, blij dat er iemand voor de Belgen opkwam. "We moeten niet altijd zo pessimist zijn. De tijd van Merckx is wel voorbij maar welke renner van waar ook kan nog zo'n palmares bijeenfietsen? De concurrentie is te groot. Ze zijn ook meer aan elkaar gewaagd. En vergeet niet dat we een klein land zijn en dat er niet alle dagen een superman wordt geboren."

"Dat laat niet na dat de Belgen sukkelaars zijn", zei hij in de richting van Staf. "Hoog van de toren blazen in het begin van het seizoen dat de ene die en die klassieker gaat winnen en dat van de andere groene trui in de Tour zijn hoofdobjectief is en dan, als men ziet dat men er niet aan te pas komt, excuses zoeken: daarin zijn we straf! Voddekoersen winnen kan Wim Omloop ook, maar eens op zijn tanden bijten als het wat minder goed draait, oh maar…"

"Als ge ziet wie er allemaal in de criteriums meerijdt, kunt ge dat toch geen voddekoersen noemen, hé, Flup", reageerde Staf fel. "De besten van de Tour doen mee, dat zijn geen Janneke en Mieke meer."

"Akkoord", gaf hij toe, "maar ge vergeet dat het die vedetten alleen om de startpremie te doen is. Wat interesseert hen nu winst in een criterium van niks ergens in een uithoek van België?"

"Ge overdrijft", zei Staf, "om De Coninck te kunnen afbreken."

"Verdedigen zal moeilijk gaan, hè, Staf. Wat heeft hij dit jaar al gewonnen buiten de kermiskoers van Watou?"

Wat als een doordeweekse discussie over het wielrennen op gang was gekomen, mondde stilaan uit in een bitse dialoog tussen Staf en Flup. Flup schepte er plezier in om Staf op stang te jagen en lachte uitdagend telkens hij daarin slaagde.

"Ge moet niet alles geloven wat de gazetten schrijven", zei hij nu. "Ik zeg u nog eens dat de groten hun hand niet omdraaien voor een criterium links of rechts waarvoor ze zo al een pak poen krijgen. En ge moet die mannen niet idealiseren: hebben ze er eens goesting voor en doet zich de gelegenheid voor, dan vliegen ze erin en pakken ze mee wat ze kunnen  krijgen. Maar ge denkt toch niet dat ze hun broek van hun gat rijden voor uw schoon ogen zeker?"

Op dat ogenblik moest Henry voluit op de rem gaan staan. Het leek of de zwaartekracht voor een fractie van een seconde werd opgeheven en op twee man na belandde de volledige bemanning van het tot zitplaats omgebouwde deel van de bestelwagen op de grond. Flup viel met het hoofd tegen de scherpe zijkant van het tussenschot. Op het ogenblik dat er een pijnscheut door zijn hoofd schoot voelde hij een klap in zijn rug en een lichaam dat als een aardappelzak over hem heen viel. Het was een gedonder en gerommel van jewelste alsof een gans regiment de wagen binnenstormde. Dan werd het zwart voor zijn ogen. Tegelijkertijd trad de stilte in. Alsof een hogere macht alle leven had stilgezet: Henry met zijn hoofd op het stuur: Lucien, naast hem, half onderuit gezakt, zijn rechterbeen gestrekt alsof hij had meegeremd; achterin: vier man op de grond, de een boven de ander, en twee man, zich krampachtig vastklemmend aan de zitbank. Stilleven in een taxibus. Een neo-realistisch tafereel door de Nieuwe Vlaamse Primitieven.

Dan herneemt de activiteit. Althans voor sommigen. De chauffeur heeft zijn hoofd half opgericht en staart wezenloos voor zich uit alsof men hem een uppercut heeft verkocht. Hij overschouwt het slagveld. Er wordt gejammerd, gekreund, gevloekt. Gilbert bloedt uit zijn neus en klaagt over hoofdpijn. Lucien rolt hem voorzichtig op zijn rug.

"De verbanddoos. Waar is de verbanddoos?"roept hij naar Henry.

Deze schrikt op alsof hij uit een droom ontwaakt.

"Achterin", stamelt hij, "boven het linkerwiel."

Lucien ploegt zich een weg tussen de lichamen. Jackie en Bernard hebben zich ook over hun makkers gebogen. Staf wordt op een zitbank gelegd. Hij heeft pijn in zijn rechtervoet.

Als Flup bijkomt is Lucien bezig een klis haar weg te knippen.

"Wat doet ge nu, Lucien?" vraagt hij.

"Ge hebt een lelijke kap in uw voorhoofd en ik moet de hele wonde kunnen ontsmetten."

Voorzichtig bet Lucien de wonde en brengt een pleister aan.

"Gaat het?" vraagt hij.

"Ja, ja, maar het pikt."

"Dat gaat wel over."

Lucien trekt Flup tot tegen de chauffeurszetel zodat hij rechtop kan zitten. Flup is buiten adem. Het lijkt wel of hij de rit van vanmorgen heeft overgedaan.

"Amaai, wat was dat?"

"Een kettingbotsing", zegt Henry, die al wat bekomen is en naast hem is komen staan. "Gelukkig heb ik op tijd kunnen stoppen. Anders was het nog erger geweest. Hij houdt duim en wijsvinger voor Flup zijn neus en laat een kleine opening tussen beide: "Twee centimeters. Hooguit twee centimeters scheelde het."

Lucien beaamt: "We hebben alles bijeen geluk gehad."

Gilbert begint weer te kreunen. Hij heeft watten in zijn neusgaten en tast voortdurend naar zijn hoofd. Jackie zit bij hem en tracht hem wat op te beuren.

"Gilbert is er erg aan toe", fluistert Lucien. "Hij is op u gevallen. Waarschijnlijk een lichte hersenschudding en misschien een gebroken neus. Hij moet in elk geval radiografie passeren."

"Zet eens iets open", zegt Flup. " 't Riekt hier naar miserie en daar kan ik niet tegen."

Jackie staat op en schuift de deur open.

"Zo beter?"

Hij steekt zijn duim op.

Balans van de bruuske rempartij: vier gekwetsten. Twee man op de grond (Gilbert en Rik, die zijn schou- der bijna niet kan bewegen) en twee man languit op een zitbank: Staf met een verzwikte voet en Willy, die zich nogal duizelig voelt van de val maar op het eerste gezicht niet gekwetst is.

Henry heeft contact met de centrale en vraagt om een ziekenwagen.

"Straks staat het er vol mee, wees daar maar zeker van", zegt Lucien.

"Van Hoof zegt dat we rechtsomkeert mogen maken. Van werken zal er toch niet veel meer in huis komen."

Lucien knikt.

"We zitten hier voor uren vast", zucht hij. "De drie rijvakken zijn geblokkeerd. Moeten we niks inhalen?"

"Veertien dagen een half uur vroeger beginnen", zegt Henry. "Ge kent hem."

"Ik wist vanmorgen al dat er iets in de lucht hing", zegt Flup. "Ge hebt zo van die dagen dat ge een voorgevoel hebt."

"Hopelijk blijft het hierbij", meent Henry. En dan, met een knipoog naar Lucien: "Het komt er nu op aan zo rap mogelijk van Flup af te geraken voordat de lucht invalt…"

Lucien trekt een grimas. Nu pas wordt hij de pijn in zijn nek gewaar.

"Dat is van de schok", zegt Henry. "Over een paar dagen is dat gedaan."

Flup zucht: "En juist vandaag. Juist met het criterium. Als dat maar goed afloopt."

"Allee, Flup", zegt Lucien. "Ge denkt toch niet dat alles vandaag zal mislopen. Da's bijgeloof, dikke kul. Staat ge weer aan de Jagersweg?"

"Ja, ja, zoals gewoonlijk. Maar ziet ge me al staan met die pleister op mijn kop?"

"Trek er een muts over of zo. Geen kat zal het zien."

"Misschien. Maar ik zal wel alle schuiven moeten ondersteboven halen om er een te vinden…"

Het moet van zijn kinderjaren geleden zijn dat hij nog een muts gedragen heeft. Moeder breide er elk jaar een. Voor in de winter. Met een pompomke. Maar ook buiten de winter kwamen mutsen van pas. Elk seizoen had zijn frisse dagen. Van als er een zuchtje wind opstak of de temperatuur een paar graden zakte, kreeg hij zo'n wollen ding op zijn kop. Een verkoudheid was immers vlug opgelopen. En voor de regenachtige dagen had hij een regenjas mét kap. In de winter: gevoerde jas mét kap. En niet zelden combineerde ze beide: muts mét kap. Een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn. De grillen der natuur zouden haar zoon niet onverhoeds treffen. Hij was ook het enige kind op school dat bij tien graden bòven nul reeds vier lagen kleren droeg. Hij zweette het hele jaar door en liep haast nooit zonder hoofdbedekking. Vandaar misschien zijn allergie voor petten, mutsen en andere hoofddeksels, zelfs in het putje van de winter. Hij is het gewoon: in de bouw werkt ge in weer en wind en ziek is hij bijna nooit. Wat indertijd helemaal niet het geval was. Tot afgrijzen van zijn moeder.


Flup kijkt toe hoe Gilbert en Rik worden buitengedragen. Een triest schouwspel. Het kermen van Gilbert vooral. Gilbert, die zich altijd als een harde had voorgedaan… maar nu ziet ge het wel: zijn janken en grienen is het laatste half uur niet uit de lucht geweest, terwijl Rik, Rik, die hebt ge geen moment gehoord. Die ligt daar met zijn ogen half gesloten, zwaar ademhalend, af en toe een grimas trekkend, maar verder zo stil als een platgespoten zieke. En een sleutelbeen breken is ook niet niks. Zijn schoonbroer had het verleden jaar meegemaakt en die wist niet waar te kruipen van de pijn. En die gaat zelfs werken met negenendertig graden koorts en een longontsteking. Om het verschil aan te geven.

De verplegers stuntelen wat aan. Ze hebben natuurlijk de ruimte niet om te manoeuvreren, maar toch… ze moeten in alle omstandigheden kunnen werken, vindt hij. 't Is hun beroep.

De kleine pufte als een overjarige deux-chevaux en de lange begon al te verbleken toen hij Gilbert zag liggen. Akkoord, Gilbert is een gast met serieuze buikomvang en daarenboven niet van de kleinsten, maar als brancardier moet ge u daarop kunnen instellen. Voordat ze met Gilbert buiten zijn, zijn ze al minstens vijf keer tegen de wand en de zitbank gebotst, over hun eigen benen gestruikeld en uitgeschoven, het lijkt wel een comedy caper, maar opgeven is er gelukkig niet bij. Hij heeft zin om te roepen: komt er nog wat van, mannen, maar Gilbert is hem voor en vloekt dat het naar zijn goesting niet snel genoeg gaat. En of het niet zonder schokken kan, alstublieft, hij ziet al genoeg af.

Flup zou in andere omstandigheden in lachen zijn uitgebarsten, maar ge moet een beetje respect hebben voor een lijdende collega. Hij zou het trouwens slecht opnemen. En alles bijeen is het niet plezant natuurlijk. Hij weet er alles van.

Hij herinnert het zich als de dag van gisteren: ze lagen met zijn tweeën op kop, Dams en hij. Een comfortabele voorsprong, wat zowel goed als slecht kan uitdraaien. Het hangt ervan af hoe de koers zich ontwikkelt. Op een dikke twee kilometer van de meet weigert Dams nog kop te doen. Een beetje geënerveerd door het stugge voor-zich-uitkijken van zijn medevluchter, richtte hij zich op om zijn compagnon aan te zetten over te nemen en dat was zijn ongeluk geweest. Zo had hij de auto niet zien afkomen. De seingever was te lang in het café blijven zitten en de wagen met de rode vlag reed te ver vooruit. Goed, die kerel had last gekregen wegens zijn onverantwoord gedrag, had zijn armband definitief mogen afgeven en was aansprakelijk gesteld, maar daarmee was zìjn carrière niet gered. Zijn vader had hem van in den beginne verwittigd: afgelopen met koersen van als er iets voorvalt. En voilà, het kon niet slechter. Het eerste jaar al. Twee keer gewonnen en een derde keer zo goed als. Ge moet maar tegenslag hebben. En als twintigjarige herbeginnen: dat is geen werk. Het moet van jongs af groeien of ge moogt het vergeten. Toch wilde hij de wielrennerij de rug niet toekeren. En zeker niet toen ook zijn studies in het water waren gevallen. Zo was hij op het idee gekomen om zich als seingever te presenteren. Hij bleef in de sfeer en hij kon tegelijkertijd voorkomen, dat andere jongens door hetzelfde noodlot werden getroffen, want daar kon men van op aan: met hem als seingever zou men rekening moeten houden!


Flup tast naar zijn wonde. Ze trekt. Bernard steekt zijn hoofd binnen en vraagt of hij mee gaat kijken naar het autokerkhof. Nee, liever niet. Niet die miserie. Hij wordt er ziek van. Hij blijft Staf gezelschap houden. Staf ligt nog altijd op de bank. Hij heeft zijn voet laten inbinden en durft er niet goed op te staan. Straks zal hij wel moeten.

Staf heeft zijn ogen toe.

"Slaapt ge, Staf?"


Het is bijna middag als ze terug kunnen. Voordat de rijkswacht de nodige constateringen heeft gedaan, enkele ongelukkigen met snijbranders uit hun netelige posities zijn bevrijd en de wrakken opzij getrokken of weggesleept, zijn er al gauw enkele uren verlopen. Flup is ook in slaap gesukkeld. Het is warm met de zon pal op de wagen.

Henry neemt de eerste uitrit en rijdt langs het binnenland terug. Dat is beter, vindt hij. Ze moeten zich voor niets haasten en omweg is het niet. Op de radio spreken ze van negen doden en negentien gewonden. Drie auto's zijn in brand gevlogen vooraleer de inzittenden eruit konden. Het doet Flup denken aan dat akelige televisiebeeld van de verkoolde vrachtwagenchauffeur die ge nog rechtop in zijn cabine kon zien zitten. Vreselijk. Ge zijt er u niet van bewust, maar eigenlijk rijdt ge met een bom onder uw auto. Dat ze daar nog niks op gevonden hebben.

Staf vraagt of Henry hem niet naar huis kan brengen. Hij kan niet staan. Kijk eens hoe gezwollen zijn voet is.

"Ge weet toch dat ik niet van mijn weg mag afwijken, Staf. De baas is daar streng op: naar het werk en terug en niets daarbuiten of het gaat stinken."

"Op die paar kilometers zal het toch niet steken…"

"Nee, Staf, daar begin ik niet aan. Als ze 't te weten komen ben ik de sigaar. Ge moet dat verstaan."

Staf trekt een gezicht.

"Het doet zeer, zulle."

"Daar twijfelen we niet aan, jong, maar reglement is reglement en ik wil geen last."

"Er bestaat nog zoiets als menselijkheid en vriendschap", zegt Staf, "en dat gaat verder dan luisteren en knikken en de kont van de baas likken, maar dat weet gij niet."

"Ge moet niet overdrijven, Staf. Ge doet precies of ge hebt een hartinfarct gekregen. Ge hebt niet eens geprobeerd om op uw been te staan."

"Ge moogt met mij meerijden", zegt Flup in een opwelling. "Ik rijd wel met geen Rolls Royce, maar beter vanachter op een fiets dan te moeten kwakkelen en misschien niet thuis geraken. Als ge wilt natuurlijk."

Staf knikt: "Merci, jong."


Flup heeft last met optrekken. Het valt niet mee om met een extra gewicht te rijden. Langzaam trekt hij zich op gang. Meter per meter. Moeizaam en amechtig hijgend. Met krampachtige snokken, telkens zoveel mogelijk kracht op zijn duwbeen zettend. Het zweet parelt van zijn aangezicht. Het is dan ook erg warm met de zon in zijn nek. Hij moet een dikke kilometer langs de spoorwegberm rijden vooraleer hij aan de brug van Maxi komt. Daar kan hij onderdoor richting Kuyl.

Zijn tas slaat tegen zijn wiel. Hij heeft moeite om zijn stuur recht te houden, maar moeilijk gaat ook, denkt hij, en nu hij iemand plezier kan doen moet hij de flauwe niet uithangen. Staf heeft zijn zak omgekeerd om zijn hals gehangen, zodat het ding op zijn rug zwabbert, een grappig gezicht. Zijn armen heeft hij rond Flup zijn middel geslagen.

"Gaat het, Staf?" roept hij over zijn schouder.

"Ja, ja", antwoordt Staf. Veel meer komt er niet uit.

"Is het nog ver achter de brug?"

"Nog vijfhonderd meter en dan rechtsaf."

Nu komt een moeilijk stuk. Kasseien. Op zichzelf al lastig als ge erover moet, maar met een man op het bagagerek helemaal een karwei. De dwangarbeiders van de weg. Hij is er een van.

Als ze bijna aan het kruispunt met de Abeelstraat zijn, rijdt er hun een radiowagen voorbij. Flup stopt, blaast, en wist zich het zweet van het aangezicht.

"Kijk! Reclame voor de koers!"

"…om 19 uur. De Albert Streeuwen-beker wordt uitgereikt door burgemeester Pallemaerts. Vanaf 21 uur is er volop gelegenheid tot eten en drinken in het clublokaal van 'De Stoempers'."

"Amaai, ze hebben het groots aangepakt dit jaar."

"Dat gaat zo als de club groeit, hè, Staf. Hoe meer aangeslotenen hoe meer geld er in 't bakske komt. Dit jaar hebben we een paar sponsors meer kunnen aantrekken. Dat moet ook voor het tienjarig bestaan."

De bestuurder wuift naar Flup.

"Da's John Vermeer, onze voorzitter", glundert hij. "Toffe kerel en… een werker. Ge ziet het: niet te schoon om achter een stuur te kruipen!"

Aan de voordeur van Staf zijn huis helpt Flup zijn maat afstappen. Hij leent hem zijn schouder tot aan de drempel.

"Ge komt toch een pint drinken?" vraagt Staf. "Voor de moeite."

Flup stemt toe. Hij plakt van het zweet en hijgt als een postpaard.


Hij vermoedde het al toen moeder haar neus om de deur stak en met een opgelegde glimlach op hem afkwam. Ze streek door zijn haren en kuste hem op het voorhoofd.

"Arme jongen", zei ze, en, bezorgd: "Hoe voel je je?"

Moeder begreep niets van het wielrennen. Ze zei: "Waarom moest ge altijd omkijken?"

Ze schudde het hoofd en haalde fris water. Voor hem en voor de planten. Ze hielp hem rechtop zitten en rommelde in zijn kast. Vader was niet meegekomen: overwerken. Ge weet dat hij bij de buren een open haard metst. Waaraan hij verder deed op vrijdag. Op dinsdag- en donderdagavond had hij golfbiljart. Competitie. Dat kon hij zomaar niet laten vallen. Ze rekenden op hem. Op woensdagavond was er bekervoetbal op t.v.  Ge weet dat de matchen heilig zijn.

Flup knikte altijd. Hij begreep het allemaal, maar toch knaagde het vanbinnen.

Wielrennen is gevaarlijk. Hij wist niet waaraan hij begon. Waarom  koos hij niet voor een veilige en complete sport? Atletiek bijvoorbeeld. Bij voorkeur een loopnummer.

"Van het wielrennen krijgt ge reuma in de rug en papperige billen. Ge zijt vroeg oud en uitgeblust."

De benen werden overontwikkeld in vergelijking met de rest van het lichaam. Uren op de fiets. Ge kon net zo goed aan de band gaan staan. En dan had hij het nog niet gehad over de talrijke ongevallen: de valpartijen in volle spurt, de duikelingen in een ravijn, het wegschuiven op een nat wegdek… Breuken, spierblessures, hersenschuddingen: was het dat wat hij wilde?

Vader wond zich op telkens hij erover begon. Vader zei altijd nee, steeds nadrukkelijker, maar hij wist dat het op een dag ja zou zijn. Vader was streng. Op het autoritaire af. Maar Flup wist waar de grens lag. Vader had zijn frustraties. Overgehouden van zijn jeugd. Vader had zijn principes. Overgeërfd van zìjn vader. Wanneer de twee met elkaar in conflict raakten, kwam er beweging in zijn stugheid. Naar buiten presenteerde hij zich als het strenge gezinshoofd met een zachte kern en een wil tot luisteren. Beperkte inspraak heette dat later. Maar binnen bulderde en donderde hij dat het huis ervan daverde. Had hij echter een goede bui, zo tegen het weekeinde aan, luisterde hij naar de wensen en verwachtingen van zijn jongen. Dan sloeg hij zijn arm om hem heen en haalde hem aan. "En we zullen er eens een fijne zondag van maken, man."

Tegen het einde van de week was iedereen op bezoek geweest, zelfs zijn vrienden van 'De Stoempers' en een afvaardiging van het bestuur. Het tafeltje in de kamer stond boordevol bloemen en planten met kaartjes voor een spoedig herstel.

Maar diegene die hij werkelijk wilde zien, daagde niet op.


Als hij thuis komt staat Philomène klaar om te vertrekken: regenjas aan (nochtans is het een warme, droge dag), tas in de ene, huissleutel in de andere hand.

Vooraleer hij zijn mond kan open doen, barst een woordenorkaan los die minutenlang in volle hevigheid woedt en in een mum van tijd de hele hal doet daveren. De als door een machinegeweer afgevuurde klanken rekketekken tot aan de overloop van de tweede verdieping, waar ze, bij gebrek aan uitlaat, tegen de muren en het plafond kaatsen en sito presto teruggestuurd worden naar afzender, wat het effect geeft van een handvol klappeien die naast en door elkaar roepen en tieren tot heil van het eigenbelang. Waar hij het in zijn hoofd heeft gehaald om er zomaar met haar fiets vandoor te gaan alsof zij geen anderhalve kilometer moet stappen naar de rand van de gemeente, ze heeft dat ding er toch voor gekocht, en kijk, in zijn haast heeft hij zelfs de muur beschadigd, of ziet hij niet dat er kalk op de grond ligt, maar hij kan het zelf opruimen, zij is zijn meid niet, wat denkt hij wel, als hij te lui is om te voet te gaan, moet hij zich ook maar een fiets aanschaffen, van zìjn wedde natuurlijk, van wie anders, zij moet ook de ganse dag op haar twee benen staan en waarom moet zij de dupe zijn van het feit dat mijnheer zijn wekker is blijven stilstaan en hij te laat uit bed is gestapt, hij moest maar gelopen hebben tot aan het station, ze verstaat trouwens nog niet waarom hij nog altijd geen fiets heeft gekocht sinds ze die andere op het groot vuil hebben gezet, hij, de grote man van de koers, hij, de grote man van 'De Stoempers', hij, de gewezen vedette van Bavel en omstreken, en als hij maar goed in zijn oren knoopt dat het de volgende keer zo niet zal aflopen, het is altijd hetzelfde met dat mansvolk, die kakventen, die denken dat ze alles mogen en erop rekenen dat de vrouw zal toegeven en voorts achter zijn sloffen lopen als hij erom vraagt en als ge 't… Ze stopt in het midden van haar tirade. Als ze de pleister op Flup zijn voorhoofd ziet, realiseert ze zich dat het net middag is geweest, dat ze zich heeft klaargemaakt om bij de Verheulpens te gaan schoonmaken en dat Flup normaal gezien nog niet thuis komt.

Ze staart hem aan met de angstogen van een in het nauw gedreven ree en doet een stap achteruit alsof ze tot de constatering is gekomen dat niet haar man maar een of andere wildeman haar woning is binnengedrongen.

"Wat hebt ge nu voor gehad, Flup? Ge ziet zo bleek…", brengt ze haperend uit.

Flup blijft rustig. Hij is vertrouwd met de situatie. Hij is het gewoon dat Philomène voor niets uit haar vel springt. Dan blaast ze zich op als een kikker, loopt rood aan, en gesticuleert als een overspannen dirigent. Het minste dat kan gezegd worden is dat Philomène bij momenten opvliegend is. Vaak zonder reden. Ze weet niet dat bepaalde situaties en toestanden oorzaken hebben die buiten de wil van de mens liggen. Soms moet ze gas terugnemen als blijkt dat haar slachtoffer niet de minste schuld treft. In dit geval kan ze er niet naast kijken. Het heeft wel minuten geduurd, meegesleept als ze werd door haar woordenvloed, maar met zo'n blaas op uw gezicht…

Flup heeft nog steeds haar fiets in de hand. Hij heeft gewacht tot de orkaan is uitgewoed, de storm is gaan liggen. Zonder iets te zeggen. Zonder te bewegen. Want hij weet dat de minste beweging, al is het slechts het wegdraaien van de ogen, opgevat wordt als een teken van ongeïnteresseerdheid, hetgeen een nieuwe opstoot in de tirade tot gevolg heeft.

Kalm zet hij de fiets tegen de muur en kijkt Philomène aan.

"Zijt ge uitgeraasd, ja?"

Dan doet hij zijn relaas met zijn jas in de hand, wijst de bloedvlekken op zijn rug, verwijdert de pleister om de ernst van de kwetsuur aan te tonen.

"Ik heb geluk gehad", zegt hij. "Rik heeft waarschijnlijk, een sleutelbeenbreuk. Stelt ge u voor dat ik dat voor krijg: acht weken thuis? Ik, die niet stil kan zitten?"

Ze knikt en neemt hem bij de arm.

"We zullen eens kijken", zegt ze en ze leidt hem naar de sofa in de huiskamer.

Zo is zij ook: begrijpend en behulpzaam, steeds bereid om iemand bij te staan als het nodig is. Philomène is nog de slechtste niet ondanks haar driftbuien.

Ze brengt een nieuwe pleister aan, niet zo'n enorme lap die zijn voorhoofd half bedekt, neemt zijn jas aan, haalt zijn pantoffels, spoort hem aan even rust te nemen, en warmt ondertussen zijn avondmaal: stoofvlees met mosterd, zijn lievelingskost. Had ze vooraf klaargemaakt zodat hij snel naar het criterium kon. Nu ze met de fiets naar Verheulpen kan heeft ze een half uur op overschot.

Philomène kijkt naar hem als hij eet. Hij zegt niets en eet niet veel. Het steekt hem tegen.

"Gaat het niet?" vraagt ze.

Hij heeft wat hoofdpijn en voelt zich lusteloos. Alsof een griep op komst is. Die twee pinten hebben hem geen goed gedaan. Straks neemt hij iets in en gaat rusten. Misschien helpt dat.

 

Kop van jut

donderdag 28 mei 2009

 
 
Gemaakt op een Mac
volgende  
 
  vorige