LITERAIRE DRUPPELS

 
 
 
 
 
 

Waarde Wisp,


Het is de eerste van de achtste maand. Begin augustus. Twee maand voor je 'Verkoolde alfabet' van start gaat. Met vijf korte, droge tikken heeft de torenklok van de dorpskerk me gewekt.

Het is relatief stil op deze prille zomerse zaterdagochtend. Een ongewone toestand, die nooit meer dan enkele minuten aanhoudt. Volkomen stil is het hier nooit, maar dat is niet uitzonderlijk in een tijd waarin schetterende transistorradio's en brommende heggenscharen het weekend in een nieuwbouwwijk beheersen. Stilte is een teloorgegaan begrip. Zoetjesaan wordt het woord uit de omgangstaal gebannen.

De hanen uit de buurt roeren zich. Nog voor het eerste daglicht met het menselijk oog kan ontwaard worden, begint het helse heen-en-weergekraai. Toen we ons hier pas gevestigd hadden, werd ik er wakker van en kon ik, 29-jarige stadsmens, de slaap niet meer vatten. Dat is lang verleden tijd. Aan natuurlijke geluiden wen je snel.

Sporadisch klinkt het aarzelende fluiten van een vroege vogel, maar hij houdt het snel voor bekeken. Wij zouden zeggen: we draaien ons nog eens om. Straks is er tijd genoeg om ons te manifesteren.

Een vertrouwd geluid is het pletsen van het fonteintje van de buurman. Het lijkt of er iemand doorlopend in zijn vijver staat te plassen. Het brengt me de vakanties met mijn ouders in herinnering, toen stilte nog werkelijk stilte heette, en die niet door zenuwachtig optrekkende motorfietsen of laag overrazende vliegtuigen werd verbroken. Het klateren van het beekje in de onmiddellijke omgeving van ons Oostenrijks pension was het enige geluid in een naar gras en bomen geurende nacht. Een kostbare herinnering.


Ik heb me voorgenomen een reeks brieven te schrijven aan auteurs die me om een of andere reden nauw aan het hart liggen. Zo verplicht ik mezelf tot reflectie over hun werk. Absolute voorwaarden om dit waar te maken zijn: een dosis kritische zin en een tweede natuur die herlezen niet beschouwt als een saaie bezigheid, maar als een aangename, verrijkende noodzaak om tot het wezen van de schrijver door te dringen. Immers, met het 'verhaaltje' alleen ontwikkel je geen visie. Een pure verhalenverteller is geen schrijver, maar een entertainer, een dodemomentenverdrijver. De ware schrijver heeft inhoud achter de waargenomen inhoud. Zijn vertelling heeft meer dan één dimensie. Hij schrijft in perspectief.

En naar dat perspectief ga ik op zoek. Bij Paul de Wispelaere bijvoorbeeld. In de vijf boeken 'verhalend proza' en één romantisch dagboek die ik gelezen heb (1), heb ik flink zitten onderstrepen. Het is een tweede natuur geworden: ik wil geen beklemmende gedachte, geen interessante beschouwing, geen fraai verwoorde idee, geen originele formulering aan mij laten voorbijgaan. Mijn slecht geheugen heeft me dit opgedragen, niet de drang om sommige druk uit de literatuurgeschiedenis citerende auteurs te imiteren. Met deze methode heb ik bijvoorbeeld een koffer vol spitante vergelijkingen verzameld uit Tom Lanoyes 'Kartonnen dozen'. Wie gebruikt ze als materiaal voor een studie over het associërende denken van een jong, stevig in de markt liggend auteur?

De in potlood aangestreepte passages kopieer ik in een goedkoop schriftje met een slappe kaft. Het is mijn privé-museum met citaten, die ik herlees als ik mij het beeld van een auteur opnieuw voor ogen wil halen. Met dat rijtje zinnen en alinea's reactiveer ik de in mijn achterhoofd opgeslagen denkwereld van de schrijver.

Ik probeer een onderverdeling te maken: 'inhoudelijk interessant' en 'esthetisch genot', maar de twee vloeien makkelijk in elkaar over. Op de duur overspoelt het enthousiasme de drang tot classificeren. 

Tussen de eerste bladzijden van 'Een dag op het land' en de laatste van 'En de liefste dingen nog verder' liggen een kleine dertienhonderd bladzijden. Vooral in de Tuin heb ik geselecteerd om het zaakje overzichtelijk te houden. In dit boek liggen zo'n ideeën- en taalrijkdom besloten dat beperking zich opdringt wil men door het bos de bomen blijven zien. In het geval De Wispelaere liep het aantal volgekrabbelde pagina's razendsnel op (je mag dat als een compliment beschouwen).

Wat noteer ik zoal? Dingetjes als "Dan zei ze iets, met een stem waarin al de kille vochtigheid van de herfstavond was samengekropen" (Huis, 246), of "Een voorval waarbij een verborgen kruipdier jarenlang de  draden van de lotsbestemming door donkere gangen van gras en aarde trok" (Brieven, 101), of "Maar gelukkig ook de aarzelende regen die met vogelbekjes tegen het raam tikt" (Alfabet, 58) of het meer rechtstreekse "De adem van september hangt in de populieren" (Dingen, 204), omdat ze me die gezellige warmte, dat euforische welbehagen bezorgen, dat ik najaag tijdens het lezen. Dan wordt lezen een drug, een verslaving, een hallucinante gebeurtenis.

En dan zeg ik: je ideeën verwoorden met de elegantie van een hinde, de pronkzucht van een pauw, de lezer inspinnen in een web van rake beelden, een verlammend mooie imagerie: ziedaar de opdracht van de schrijver.

In zijn eerste brievenboek spreekt Jeroen Brouwers (2) over de spijkerbroek en het maatpak om het verschil in taalgebruik bij zijn schrijvende medemens aan te tonen. Uitzondering gemaakt voor de hoogstpersoonlijke beeldspraak (het maatpak is niet direct mijn ideaal van klassekleding) onderschrijf ik zijn opvattingen als hij zegt dat taal de basis van alles is. Een schrijver is een estheet. Iedereen kan een verhaal vertellen. Niet iedereen kan schrijven.

In die optiek ben je een uitmuntend schrijver, maar dat hoef ik je niet te vertellen, dat hebben andere met de literatuur vergroeide critici en wetenschapslui afdoende gedaan.

En toch lees ik op bladzijde 8 van je 'Brieven': "Mijn verre Londense lezer overtuigt me, omdat ik op precies dezelfde manier reageer op boeken, die ik bewonder: met datzelfde handenwringend gevoel van spijt dat ik ze niet zelf heb geschreven, en met dezelfde behoeften om kostbare beelden en ideeën eruit te puren en in mij te bewaren".

Marc Reynebeau schrijft in Knack van 21 april 1982: "…het minste wat men kan zeggen van 'Tussen tuin en wereld' (…) dat het een schoolvoorbeeld is van hoe men het Nederlands kan aanwenden om aan literatuur te doen".

Lionel Deflo schrijft in zijn essaybundel 'Bij nader inzien' (3) over datzelfde 'Tussen tuin en wereld': "Een heel mooi boek zelfs, met bladzijden van een aangrijpende literaire schoonheid" (60). Paul Van Aken vindt je een 'lyrische zanger' en Cyrille Offermans noemt je een 'stylistische virtuoos', maar Paul de Wispelaere, Staatsprijswinnaar 1982 en Prijs der Nederlandse Letteren 1998, schrijft dat hij handenwringend van spijt reageert op bewonderde boeken, omdat hij ze niet zelf heeft geschreven…

Als ik sommige reacties op mijn 'Coeur Craquelé' (4) en 'De gletsjer van O.' (5) lees, als ik de afwijzingen van volgend werk, waaronder een studie over Paul Koeck (6), op een stapeltje leg, als ik de beperkte respons op mijn eenmansschrift 'De Vos' in ogenschouw neem, als ik mijn ervaringen zonder relativering, zonder kritische kanttekeningen op een rijtje zet en ik vergelijk de magere oogst van mijn akker met de rijkelijke opbrengst van die van een mijnheer De Wispelaere, stel ik me de vraag: wie wordt hier eigenlijk aangezet om aan zijn mogelijkheden te gaan twijfelen?


Stapels boeken lezen is voor mij jammer genoeg niet weggelegd. Maar ook binnen mijn beperkt absorberingsvermogen, professor, kan ik onderscheiden maken, parallellen trekken en pertinente vragen stellen als: is het toeval dat de autobiografische schrijver het beeldrijkste proza aflevert?

Neem Brouwers. Jeroen Brouwers is een omstreden schrijver. Door de een op handen gedragen, door de ander verguisd, er is geen tussenmening: het is het lot van de aan de polemiek verslaafde schrijver (Johan Anthierens kan erover mee-spreken). Toch moet men hiervan abstractie maken om de persoon in kwestie op zijn ware verdiensten te kunnen beoordelen, want laat ons eerlijk zijn: Brouwers is een superieur schrijver. Al geselt hij ongenadig literaire tegenstrevers, veegt hij meedogenloos de vloer met wie hem een doorn in het oog is, hij doet het met verve, met stijl, met panache.

Zijn romans grenzen vormelijk en stilistisch aan de perfectie. Zijn taal: lieve hemel, bezat ik maar een tiende van de verbeelding en het stilistisch vermogen van deze literaire ambachtsman. Zelfs al past hij Hermans' principe van de dode mus en het dak naar de letter toe, wat al eens tot gewrongen toestanden leidt, met zijn taalkundige hoogstandjes verzoent hij de ongelovige met de catechismus.

Brouwers spettert en spat, hamert en hakt, ratelt en raast, weet met zijn energie geen blijf. Hij is een gekwelde geweldenaar, een literaire machtsmens, wiens heidens bombardement van woorden en beelden de lezer met verstomming slaat, ook al blijft hij een angsthaas, die zich verschuilt achter die kletterende woordenwaterval om met zijn verlangen naar liefde en genegenheid niet geconfronteerd te worden.

Juist daarom reken ik deze wervelende furie van liefde en haat tot mijn beperkt clubje van geliefde schrijvers.

(…)


P.S. Dit fragment van een brief aan Paul De Wispelaere maakt deel uit van een hele reeks van brieven aan mijn geliefde auteurs als daar zijn (in alfabetische volgorde) Aster Berkhof, Jeroen Brouwers, Paul Koeck, Geert van Istendael, Ward Ruyslinck, Monika van Paemel. Ze kunnen in zijn geheel bij de auteur verkregen worden.

 

Brief aan Paul De Wispelaere

vrijdag 29 mei 2009

 
 
Gemaakt op een Mac
volgende  
 
  vorige