literaire druppels

literaire druppels

Opgedragen aan Edgar Hilsenrath
Opa, kent u die man met de trieste blik? Kijk hoe moedeloos hij voor zich uitstaart. Hij ziet de kaarters niet die bulderen van het lachen en hun vloeken door de kroeg slingeren. Hij ziet de slonzige man aan de tapkast niet, die zijn zoveelste glas achterovergiet en de helft over zijn jas morst. Hij ziet de vrouwen niet die zich samenzweerderig in een hoekje hebben teruggetrokken. Hij ziet niets, hoort niets, ruikt niets.
Nu legt hij het hoofd op de armen. Heet dit moedeloosheid?
Orhan, zegt u. Orhan wie? Een Turk? Dat hij een vreemdeling is, ziet het kleinste kind, maar nationaliteiten raden ligt mij niet.
Heeft hij een bijenkorf in zijn hoofd? Dat vind ik grappig gezegd, maar wat bedoelt u precies? Ontelbare vragen zwermen om hem heen, dringen binnen, steken hem, prikkelen hem. Het is een eindeloze marteling.
Zal ik naar hem toe gaan? Misschien kunnen we helpen…
We mogen niet tussenbeide komen, fluistert u paniekerig. U legt uw hand op mijn arm en vraagt om vooral rustig te blijven.
Goed, opa, ik luister.
Kijk, de man aan de tapkast is aan het eind van zijn Latijn en valt van zijn kruk. Orhan kijkt op. Hij is verrast. Waarom sta je nu niet voor me, met een stralend gezicht en een mond vol zoete woorden?
Een van de kaarters gooit zijn hand in de hoogte, omarmt een makker en jubelt het uit van vreugde. Orhan draait het hoofd: waarom sla je je armen niet om me heen en overstelp je me niet met kussen?
De vrouwen in de hoek wenken de ober. Hij heeft het gezien, mijn jongen, hij wordt steeds alerter: waarom zit je niet even samenzweerderig bij me, vertrouw je me de geheimen van je hart niet toe?
Kom nou, hoe kunt u dat allemaal weten? Geen mens kan gedachten lezen. Ik ben wel jong, maar niet naïef.
Waarom schuift u me dit schrift onder de neus? Het enige wat me op dit ogenblik interesseert is het antwoord op mijn vragen en u herhaalt alsmaar: lees nu, mijn jongen, lees.
En daar verschijnt de rest van de vragen.Heeft hij te hoge verwachtingen gekoesterd, te snel vertrouwen gehad? Heeft die coup de foudre hem elke realiteitszin ontnomen?En wat nu: berusten of zichzelf weer in de hand nemen?
De waard stapt op hem toe en vraagt of alles in orde is. Nee, hij zal niet van zijn stoel vallen of beginnen te lallen. Hij is niet suf van de drank of platgespoten. U hoeft zich geen zorgen te maken.
Het is donker, druilerig weer, een herfstdag in overeenstemming met zijn humeur, en tussen de schaarse voorbijgangers schuilt geen vertrouwd gezicht dat hem weer met de wereld verzoent. Als hij op zijn horloge kijkt zakt de moed hem in de schoenen: de afgesproken tijd is al lang verstreken.
Hij stapt op het gele balkon. Dààr staat ze: op het moment dat hij de deur heeft geopend heeft ze zich omgedraaid, zodat hun ogen zich meteen in elkaar haken. Hij buigt zich naar haar over en beroert haar lippen. Ze vlijt zich tegen hem aan, en hij weet: nu ben ik vervuld van haar voor de volgende vierentwintig uur. En hij blijft naast haar staan en ze overschouwen de stad die zich in de diepte voor hen uitstrekt.
"Hoe heb je het vandaag voor elkaar gekregen?" vraagt hij, want hij staat er telkens versteld van hoe ze haar broer om de tuin leidt. Er schieten televisiebeelden door zijn hoofd: twee neergeknalde jonge mensen op een brug in voormalig Joegoeslavië, een moderne Romeo en Giulietta. Hun verzet tegen het noodlot was uitzichtloos en leidde onvermijdelijk tot de dood.
Hoe vreemd dat precies zij die het hardste vechten moet het grootste optimisme aan de dag legt. Terwijl hij zich steeds vaker aan zwartgallige gedachten overlevert, troost en zalft zij als een toegewijde moeder. Ach, Laura, zon van mijn leven, licht van mijn ogen. En hij wil zich naar haar toebuigen, haar in zijn armen nemen en haar van zijn eeuwige trouw verzekeren, maar hij grijpt in het ijle. Hij kijkt verschrikt op zijn horloge en bemerkt tot zijn ontsteltenis dat hij al een uur op haar zit te wachten. Is dit de eerste fase die leidt naar de sluipschutters op de heuvels?
Eigenlijk weet hij bitter weinig over haar. Ze heet Laura, ja, ze is Armeense, ja, haar grootmoeder zingt als een vogeltje, ha ha, haar broer houdt streng toezicht op haar, ja, god, maar hij kent haar familienaam niet, weet niet waar ze woont, omdat zij niet wou dat hij weet waar ze woont.
"Je moet het begrijpen", zei ze, "het is in ons beider voordeel…"
En hier zit hij nu met het hoofd in de handen tussen luidruchtige kaarters, lallende zuipschuiten, bezorgde obers en geheimzinnig fluisterende vrouwen, met de enige vraag die er nog toe doet: wat nu?
Op een dag stond ze er: de koffiedame lag met hernia in bed en er was een piepjong juffrouwtje ingesprongen. Van Armeense origine, zo werd hem verteld. Ze was aardig ingeburgerd niettegenstaande haar familie het niet zo op had met de westerse openheid. Haar pikzwart haar golfde tot op haar schouders. Ze had een fijn, edel gezichtje. Een klein, precieus portretje van Renoir. Ze had voor iedereen een glimlach in huis, een vriendelijk woord, een strelende blik. De hele tijd spookte het door zijn hoofd: ik moet naar haar toe. Ik moet haar aan het verstand brengen dat ze onrust in me stookt met haar grote, gretige kattenogen en haar ontwapenende meisjeslach.
Hij herinnerde zich niet hoe en wanneer hij was opgestaan en naar voren gelopen. Onder het lopen voelde hij hoe hij dichtvroor bij de gedachte dat ze ook naar hem zou lachen en zeggen wat ze tegen iedereen zei. Ze mocht helemaal niets zeggen. Als een slaapwandelaar was hij op haar toegestapt en nu stond hij wat te mompelen en rond te draaien. Hij haalde schutterig zijn schouders op, maakte een gebaar van 'het is me om het even' en stootte de kop koffie om van de dame voor hem en hij schaamde zich en werd bloedrood. Ze zei: "Het is niet erg. Ik schenk wel een nieuwe kop in", en haalde de vaatdoek over de bruine plas. Hij brabbelde een verontschuldiging en vluchtte de refter in.
Hij schrikt op als hij een hand op zijn schouder voelt.
"Here, a message for you!"
Orhan kijkt recht in de ogen van een rijzige kerel met een modieuze bril.
"Diederik! Jij hier?"
Hij staart beduusd naar het vodje papier dat zijn leraar hem in de handen stopt.
"Laura heeft het me gegeven…"
"Laura? Hoe bedoel je?"
Ze spreken Engels.
Diederik knikt hem bemoedigend toe.
liefste, mijn broer weet alles. kunnen elkaar voorlopig niet meer ontmoeten. wanhoop niet. je Laura.
Orhan denkt terug aan dat aandoenlijk moment toen Laura over haar grootmoeder vertelde. Grootmoeder Ara zong als een vogeltje. Dat deed ze alleen als ze haar trieste verhaal had gedaan. Vogeltjes kunnen niet huilen, maar dit vogeltje had tranen in de ogen terwijl ze vertelde. Hoe ze dagenlang werden opgejaagd. Zij en haar twee zussen en al die verdoemde vrouwen uit het dorp. Wat was er dan met de mannen gebeurd? Ach, kind, ik zal je die details besparen. Ze waren er niet meer. Laat dat volstaan. Stappen moesten we. Zonder rustpauzes. Haast zonder water, zonder voedsel. Stokken schoten uit, kreten van pijn weerklonken. Stappen, stappen. Met het stof van opgewaaid zand tussen de tenen, tussen de kleren, in het haar. En elke dag doken ze op, de bendes, de bandieten uit de bergen. En de soldaten voortdurend roepen en tieren, maar ze verloren wel tong en stok als we werden bestookt door het addergebroed op zijn briesende paarden. Ze lachten, die pestsoldaten, als weer enkelen de kleren van het lijf gescheurd werden of een sukkel van haar laatste bezittingen werd beroofd. Stappen, stappen. In de brandende zon in een desolaat landschap. Waar brengen jullie ons naartoe, heren soldaten? En als de dag om was en de soldaten zich te goed hadden gedaan aan gebraden vlees en de wijn de geesten had beneveld, werden de mooisten uit de groep gepikt en in hun kampement gesleurd en we moesten onze handen voor onze oren houden om niet waanzinnig te worden van dit pandemonium van liederlijkheid en bestialiteit.
Mijn oudste zus was hoogzwanger. Ze baarde haar kind tussen de rotsen in de blauwachtige schemer van de avond. Bij de eerste kreten van de baby stonden ze er al met hun ruige, dronken tronie. Ze rukten de baby uit haar armen en keilden hem tegen de rotswand. Ik knielde bij haar neer, nam haar uitgeputte lijf in mijn armen, sprak troostende woorden, maar toen een soldaat naderde met het geweer in de aanslag, snokte mijn buurvrouw me van haar weg. Heriknaz… nee! Tegelijkertijd weerklonk het schot.
Nooit heeft grootmoeder Ara verteld hoe zij dan wel de lange mars heeft overleefd. Maar elke keer als ze haar verhaal had gedaan, zong ze met het fijne stemmetje van een vogeltje en telkens dacht ze, dacht Laura: hoe kan zo'n sterke, struise vrouw als grootmoeder Ara zingen als een vogeltje? Dat is een mirakel.
Maar het vogeltje wou dat haar kleindochter meezong. "Als ik dood ben", zei grootmoeder Ara, "en je jouw meisje op je schoot neemt, denk dan aan mij: neem haar hand in de jouwe en streel haar, en zing en vertel haar vooral wie de moordenaars waren en waar ze vandaan kwamen, hoe wreed ze optraden en hoe ze hun gruwelen tot op de dag van vandaag blijven ontkennen alsof er geen Ara's zijn geweest of Barsegians of Airapetians of Gündes. En sluit haar in je armen en doe haar beloven dat ze de geest van haar voorvaderen blijft ademen."
Orhan wordt uit zijn dromen opgeschrikt. Onbewust heeft hij naar de redenen van het briefje gezocht. Naar de obstakels die Laura niet heeft kunnen nemen. Het was het briefje of de breuk, bedenkt hij somber. Hoe zou hij op die verscheurende keuze gereageerd hebben?
Diederik klopt hem troostend op de schouder. "Laat de moed niet zakken, kerel. Kop op."
Nu moet ik passen, opa. Ik zie Orhan voor me, nog even teneergeslagen als daarnet. Ik weet waaraan hij denkt, omdat ik het lees. Ik begrijp nu ook waarom zijn hoofd een bijenkorf is. Ik zie echter geen spoor van Diederik of welke leraar dan ook die de rol van boodschapper op zich heeft genomen. U zei: "Zwijg en lees", alsof u de waarheid in pacht heeft. Ik lees, maar ik kijk om me heen en ik kom tot de vaststelling dat er tegenspraak is.
Wat zegt u? Ik spreek over de realiteit zoals die zich hic et nunc voordoet, u, de verteller, hebt het over de literaire realiteit. Zo noemt men dat, jochie. Jochie?
Hij begrijpt niet hoe hun relatie is uitgelekt. Langer dan een halfuur hebben ze elkaar nooit gezien. Buiten een vluchtige kus hebben ze hun gevoelens onder controle gehouden, ofschoon hun lijf vaak gloeide van verlangen. Wie zou hen trouwens kunnen opgemerkt hebben bij hun korte onmoetingen op het gele balkon tien verdiepingen hoog? Zelfs de grootste voorzichtigheid bleek onvoldoende. Hoe moet het nu verder? De machteloosheid. Het onvermogen om in actie te treden. Niet kunnen vechten voor wat werkelijk van belang is. Hoe graag zou hij niet met de vuisten op tafel slaan en roepen: ze is meerderjarig, ze is vrij om te kiezen! Wie geeft u het recht om dat te verhinderen?
Eens heeft ze getwijfeld, gaf ze ootmoedig toe en gedacht: die blik, die open, eerlijke en liefdevolle blik, kon die van de zoon van een roversvolk zijn?
"Mijn broer verbiedt me met vijanden van ons volk om te gaan."
Ach ja, vijanden. Het verleden eist zijn rechten op. Maar wat heeft hij te maken met dat verleden? Hij is gewoon Orhan, zesentwintig jaar oud, een gezonde, jonge kerel van een generatie die geen banden heeft met de roversbenden van weleer. Hoeveel generaties kan men met de vinger wijzen voor gebeurtenissen die reeds negentig jaar in de tijd begraven liggen? Tigran is een robuuste kerel van een jaar of dertig. "Zeker twee hoofden groter dan jij", zei ze. "Provoceer hem niet."
Orhan wuift de hersenschimmen weg. Zijn angsten nemen te veel bezit van hem. Hij moet dringend in het verweer. Hij heeft nog geen gelegenheid gehad om zichzelf te bewijzen, om Laura's broer duidelijk te maken wie hij is, wat hij is, waarvoor hij staat. Dat het feit geboren te worden binnen een volk niet noodzakelijk betekent dat je het eens bent met alles wat er gebeurt binnen dat volk. Dat hij Orhan heet en bij toeval Koerd is, maar evengoed Palestijn of Tsjetsjeen of Rwandees had kunnen zijn en maakt hem dat automatisch tot slachtoffer of moordenaar? En wie is het slachtoffer, wie de moordenaar? En zijn de slachtoffers van gisteren niet de moordenaars van vandaag?
Hij was bereid geduld op te brengen om Laura de tijd te geven om op Tigran in te praten. Nooit zou hij evenwel toestaan dat de geschiedenis een wig tussen hen in dreef. Dan liever de brug en de sluipschutters. Of een geel balkon aan een kantoorgebouw en een inslaand vliegtuig.
"Als we geen kant meer uit kunnen, kom ik je halen en vluchten we opnieuw", had hij gezegd.
De refter is een feestelijk verlichte ruimte, die voor drie kwart gevuld is met koffie- en soepslurpende studenten. Helemaal achteraan staat de koffiedame achter haar lange tafel met soepketel en koffiekan. Hij durft niet te kijken uit angst om de wanhoop in haar ogen te lezen. Het briefje met de boodschap knispert in zijn zak.
We forceren de poorten van het geluk. Om negen uur onder het gele balkon.
Hij is er trots op dit dramatisch moment met een brok poëzie te kunnen kleuren. The gates to happiness. Hij glimlacht. Daaraan kan ze niet weerstaan.
Niet ver van haar vandaan zit een grote, breedgeschouderde man. Natuurlijk heeft hij pikzwart haar en draagt hij een snor. Met arendsblik volgt hij elke student die zich in haar nabijheid begeeft. Hij had gedacht: ik betaal met een biljet en geef haar simpelweg het gevouwen briefje. Ze steekt het in de sigarendoos en leest het snel als ze afruimt. Ach, mijn liefste, mijn hemelse godin, we zijn al op weg naar veiliger oorden. De eerste trein is genomen en het eerste onderduikadres gevonden. De heer en mevrouw Pamuk op doorreis naar Lugano.
Het briefje brandt in zijn zak en Tigrans blik in de zijne. Inbeelding of realiteit? Wie zal het zeggen? De bel kondigt het einde van de pauze aan en doet hem beseffen dat hij geen beslissing heeft genomen en op automatische piloot terug naar zijn klas stapt alsof Laura's noch briefjes een wonderbaarlijke omwenteling in hem hebben teweeggebracht.
-Is dit zijn laatste gedachte, opa?
-Ja, mijn jongen, dat is zijn laatste gedachte. Laat ons nu naar huis gaan.
Meer verhalen kunt u lezen in de verhalenbundel ‘Hartenzeer’ die u bij de schrijver kunt verkrijgen.
De Negentigjarige Oorlog
zaterdag 30 mei 2009